God aan de grens

“Ik ben niet gedoopt.”

Ons gesprek was begonnen bij haar ziekte: de behandelingen die haar zwaar vielen en de onzekerheid over de komende maanden. Halverwege zei ze het, bijna terloops. Daarna bleef het even stil. Want achter die ene mededeling ging een veel grotere vraag schuil: Waar sta ik tegenover God? Hoor ik er eigenlijk wel bij?

Ruth Pruis, geestelijk verzorger ZINN Zorg

Als geestelijk verzorger hoor ik die vraag vaker, al wordt zij zelden zo rechtstreeks uitgesproken. Mensen vertellen dat ze al jaren niet meer naar de kerk gaan. Dat ze nooit belijdenis hebben gedaan. Dat hun huwelijk is stukgelopen. Dat ze te weinig hebben geloofd of juist te veel hebben getwijfeld. De verhalen verschillen, maar de onderliggende vraag is vaak dezelfde: Ben ik nog welkom?

Houvast

Illustratie: Gerd Altmann

Die vraag raakt aan iets heel menselijks. Om de wereld te begrijpen, ordenen, benoemen en onderscheiden we. We maken als het ware kaarten van de werkelijkheid, zodat we weten waar we ons bevinden. Ook in de kerk spreken we over gelovig en ongelovig, orthodox en vrijzinnig, betrokken en afgehaakt, gedoopt en ongedoopt. Zulke woorden zijn niet verkeerd. Ze geven houvast in een werkelijkheid die nu eenmaal niet zonder verschillen is.

Maar een kaart is niet hetzelfde als het landschap. Categorieën kunnen ongemerkt meer gaan doen dan beschrijven. Dan bepalen ze niet alleen hoe wij naar mensen kijken, maar ook hoe mensen naar zichzelf leren kijken. Wie vaak genoeg heeft gehoord wat hij niet is, kan gaan geloven dat daarmee ook gezegd is waar hij bij God staat.

Daarom is de vraag naar erbij horen nooit alleen een vraag naar kerkelijk lidmaatschap. Wie zich afvraagt of hij nog wel welkom is, vraagt meestal niet om een theologische verhandeling. Hij wil weten of er bij God nog een plaats voor hem is. Alsof God misschien dezelfde beweging maakt die wij mensen zo gemakkelijk maken: eerst vaststellen in welk hokje iemand thuishoort en daarna bepalen hoe dichtbij diegene mag komen.

Eerst een ontmoeting

In de evangeliën zie ik een ander patroon. Jezus begeeft zich steeds weer naar de grenzen die mensen hebben getrokken. Hij eet met tollenaars, mensen die door anderen met argwaan worden bekeken. Hij spreekt met een Samaritaanse vrouw, hoewel sociale en religieuze verhoudingen afstand voorschrijven. Hij raakt mensen aan die als onrein gelden en prijst het geloof van een Romeinse officier. Dat zijn geen toevallige ontmoetingen. Juist bij mensen over wie de samenleving en de religieuze gemeenschap hun oordeel al klaar hebben, blijkt ruimte voor iets nieuws.

“Jezus maakt zichtbaar dat de grens geen plek is waar Gods betrokkenheid ophoudt.”
Dat betekent niet dat verschillen er niet toe doen of dat ieder onderscheid verdacht is. Wel valt op dat Jezus mensen niet eerst op afstand beoordeelt. Hij treedt hun leven binnen, laat zich aanspreken en neemt hun verhaal serieus. De ontmoeting is geen beloning voor mensen die eerst hun leven en hun geloof op orde hebben gebracht. Zij gaat aan ieder oordeel vooraf.

Misschien is dat wel het meest ontregelende van het evangelie: niet dat alle grenzen verdwijnen, maar dat God zich er niet door laat opsluiten. Wij willen graag weten wie binnen en wie buiten staat. Jezus maakt juist zichtbaar dat de grens geen plek is waar Gods betrokkenheid ophoudt. Integendeel: telkens weer blijkt daar een ontmoeting te kunnen beginnen.

God in bezit

De Tsjechische priester en theoloog Tomáš Halík waarschuwt voor een geloof dat meent God en de waarheid al volledig in bezit te hebben. Geloof vraagt ook om de bereidheid te blijven zoeken en luisteren. Dat is ongemakkelijk voor een kerk die begrijpelijk genoeg behoefte heeft aan helderheid en houvast. Theologie kan niet zonder onderscheid en traditie niet zonder taal. Maar zodra wij onze grenzen verwarren met Gods grenzen, maken we het evangelie kleiner dan het is.

Hek, of open deur

In mijn werk ontmoet ik mensen die zichzelf strenger beoordelen dan God. Zij vrezen dat één gemiste stap – geen doop, een mislukt huwelijk, een lang kerkloos leven of een broos geloof – uiteindelijk zwaarder weegt dan Gods verlangen hen te ontmoeten. Soms is die angst diep in een levensverhaal verweven. Een enkele geruststellende zin neemt haar dan niet zomaar weg. Maar ze roept wel een theologische vraag op: komt dit beeld van God werkelijk uit het evangelie voort, of hebben wij het elkaar, soms onbedoeld, aangeleerd?

Dat raakt ook aan de manier waarop de kerk over zichzelf spreekt. Een geloofsgemeenschap heeft vormen, rituelen en grenzen nodig. De doop doet ertoe. Verbondenheid en navolging doen ertoe. Maar die begrenzing hoeft geen hek om Gods genade te worden. Zij kan ook een open deur zijn: een zichtbare manier om te vieren wat niet bij ons begint, maar bij God.

Genade over de grens

Misschien hebben wij meer behoefte aan duidelijke grenzen dan God. Wij zoeken zekerheid over wie erbij hoort; Christus zoekt de mens die zichzelf al buiten de kring heeft geplaatst. Bij Hem lijkt de volgorde anders te zijn. Niet eerst bewijzen dat je binnen hoort en dan pas worden gezien, maar een ontmoeting die begint nog voordat wij hebben vastgesteld aan welke kant van de grens iemand staat.

Daarom is genade misschien wel het mooiste woord dat de christelijke traditie kent. Niet omdat genade alle vragen oplost of verschillen onbelangrijk maakt, maar omdat zij begint waar onze indelingen tekortschieten: bij een God die de grens overkomt en een mens tegemoet gaat, nog voordat die mens zeker weet of hij wel welkom is.


Dit artikel verscheen eerder in Kerk in Stad 18 – 2026,  www.kerkinstad.nl

Scroll naar boven